Termen

Waterstaatkundige objecten

Boezem:
Waterreservoir waarop het water uit lager gelegen polders wordt uitgeslagen.

Bosmanmolentje:
IJzeren molentje – van de firma Bosman – voor de onderbemaling van een polder.

Coupure:
Doorgraving van een dijk of kade t.b.v. een weg met aan weerszijden betonnen objecten waartussen vloedplanken kunnen worden gezet voor het tegenhouden van water.

Dam:
Constructie in rivier of ander oppervlaktewater voor het stuwen, vasthouden of omleiden van stromend water voor bepaalde doeleinden

Dijk:
Een dijk is een grondwal opgeworpen uit klei of zand en dient of diende als waterkering. De meeste dijken werden opgeworpen vanaf de middeleeuwen. Het dijklichaam is begroeid met kruiden en grassen of afgedekt met beton (bitumdijken). Op de dijk kan een opgaande beplanting staan in de vorm van bomen en struiken. Aan de voet van oude dijken ligt meestal nog een
dijksloot.  Op de dijk of aan de voet van de dijk is vaak een weg gelegen.

Eeuwkant:
Kreken en rivieren stonden onder invloed van eb en vloed, waardoor er afwisselend hoog en laag water was. In de winter stond dit water echter hoger dan in de zomer, waardoor er in de zomer stroken langs de kreken droog kwamen te liggen. Deze noemde men eeuwkanten en ze werden gebruikt als weidegrond. In oksel tussen dijken lagen ook veelal lager gelegen, drassige stukken, die tevens eeuwkanten genoemd worden. De eeuwkanten worden in de Hoeksche Waard “Eeuwissen” genoemd.

Duiker:
koker onder een weg, door een dijk of dam, tot het afvoeren of inlaten van water.

Gemaal:
Mechanisch aangedreven installatie voor het bemalen van een polder.

Heul:
Opening in een dijk om twee door die dijk gescheiden wateren met elkaar te verbinden, m.n. een overwelfde of door een brug overdekte opening.

Keersluis:
Enkele sluis die de hogere waterstand bij havens tegenhoudt.

Muraltmuur:
Betonnen of gemetseld muurtje op een dijk ter verhoging van de dijkkruin, genoemd naar de bedenker van deze vorm van dijkverhoging, Jhr. Ir. R.R.L. de Muralt (1906-1935).

Nol:
Restant van een dijklichaam of strandhoofd

Poldermolen:
Stenen windmolen voor de bemaling van een polder.

Schutsluis of sas
Sluis, bestaande uit een aan weerszijden door deuren afgesloten kolk of kamer, waardoor vaartuigen kunnen worden geschut, om van het ene water in een ander, dat een hogere of lagere stand heeft, te worden overgebracht.

Spuikom:
Waterreservoir dat bij hoog water vol loopt en bij laag water, met kracht leeglopende, het voor of in de haven liggende zand meevoert.

Spuisluis:
Sluis die een spuikom afsluit. Door de spuisluis open te zetten en de inhoud van de spuikom in één keer de haven of havenmonding in te “spuiten” werd al het vuil, zand en slib door de watermassa weggespoeld.

Uitwateringssluis:
Sluis waardoor men overtollig water kan lozen.

Vingerling:
Afdamming achter een dijk tot sluiting van een doorbraak (vgl. weel of wiel).

Wiel:
Plas die na een dijkdoorbraak is ontstaan of van een overstroming is overgebleven. Een wiel of weel ligt aan de (toenmalige) binnenzijde van de dijk en is vaak erg diep doordat het stroomgat vele tonnen grond heeft uitgesleten.

Landschapsobjecten

Afrastering:
Een combinatie van palen en draad om een perceel af te heinen voor vee.

Bosobject:
Onder een bosobject wordt verstaan een perceel dat voor meer dan 75 % bedekt is met inheemse opgaande bomen en struiken met duidelijke natuur-, cultuurhistorische of landschappelijke waarden.

Donk:
Opgeworpen hoogte of heuvel bestaande uit zand, meestal een restant van een afzetting van rivierzand of rivierduin.

Eendenkooi:
Een  landschapsobject speciaal ingericht voor het vangen van eenden. Een eendenkooi heeft een groot open water, omsloten door opgaande begroeiing van struiken en bomen. Vanuit de kooiplas zijn één tot meerdere vangpijpen aangelegd. De vangpijpen zijn krom het kooibos ingegraven en lopen spits toe. De vangpijp is overdekt met gaas of netten en wordt omsloten door rietmatten of
vlechtwerk van wilgentenen. Rond een eendenkooi is vaak een kooirecht of afpalingrecht van toepassing.

Eeuwkant:
Lange strook weiland of rietland langs een watergang.

Hakhout(-bos, -kade of –singel):
Een hakhout- bos -kade of –singel is een aanééngesloten bomen- en struikenstructuur, die eens in de acht tot vijftien jaar wordt afgezet. Om een hakhoutbos hoeft geen sloot of greppel te liggen. Een houtkade is van oorsprong  een waterkerend object. Aan weerszijde van een houtkade ligt een greppel of sloot. Het object wordt meestal in delen afgezet,  eventueel met behoud van
enkele overstaanders.

Afzetten is een vorm van onderhoud, waarbij takken en stammen tot op een bepaalde hoogte (bij de eerste afzet op 30-40 cm, vervolgens tot op de oude stobben) worden afgezaagd. Door het regelmatig afzetten van het hakhout ontstaan er zogenoemde stobben. Stobben zijn knoestige stammen van tientallen jaren oud, waarop nieuwe takken en stammen worden gevormd (vergelijk
met een knot van een knotwilg, maar dan zonder stam).

Houtsingel:
Een houtsingel is een lijnvormig aaneengesloten opgaande boomstructuur bestaande uit één rij, voor minimaal 75 % bestaande uit inheemse soorten.

Geriefhoutbos:
Een geriefhoutbos is een uit meerdere bomen en struiken bestaande houtopstand, welke geheel omgeven is (geweest) door water en waarvan de houtopstand tussen de acht tot vijftien jaar wordt afgezet met mogelijk behoud van overstaanders. Een geriefbos wordt ook wel pestbos genoemd.

Kniphaag:
Onder een kniphaag wordt verstaan een lijnvormig landschapsobject met dicht aanééngesloten struikvormende soorten, welke dient als veekering of afscheiding tussen twee percelen. In de haag zijn één of meerdere van de volgende soorten aanwezig: meidoorn, sleedoorn, veldesdoorn, liguster, eik, linde, iep, es of vlier.

Kleiput:
Om dijken te versterken of te herstellen is grond/klei nodig. Vroeger werd deze grond nabij de dijk, waar werkzaamheden verricht diende te worden, gehaald.  Er werden grote gaten gegraven, die zich met grond- en regenwater vulden. Veel van de kleiputten zijn daarna weer verland.

Knotboom:
Knotbomen zijn inheemse bomen welke tussen de drie en zeven jaar worden geknot op een hoogte van ten minste 1.00 en ten hoogste 2.50 meter, tenzij de bestaande knot in het verleden hoger is afgezet. De volgende soorten komen in aanmerking als knotboom: wilg, es, els, populier, eik, linde, iep en haagbeuk.

Kooirelict:
Is een niet meer in gebruik zijnde eendenkooi die geen afpalingrecht meer heeft. Soms zijn grote delen van de voormalige eendenkooi niet meer in het landschap terug te vinden. Soms is er alleen nog een deel van de kooiplas aanwezig of liggen er in een akker of weiland nog oude vangpijpen. Soms is er alleen nog een deel van het bos aanwezig.

Kreek:
Natuurlijk lopende watergang veelal nog daterend van voor de bedijking van een polder.

Leiboom:
Leibomen zijn bomen die altijd in de buurt van bebouwing staan, welke door jaarlijks of tweejaarlijks te snoeien, hun vorm verkrijgen. Een leilinde staat van oorsprong voor het woongedeelte van een boerderij of ter hoogte van de opslag van melkproducten (zijkant van de boerderij). De gesteltakken staan meestal haaks op de stam in een blok-, piramidale of vrije vorm.

Poel of koeienput:
Onder poel wordt verstaan een klein water met omringende oever en heeft een gesloten waterhuishouding. Een poel werd gebruikt als drinkplaats voor vee en mensen, maar ook als verzamelput voor bluswater en spoelplaats voor machines. Een poel is gelegen op een erf of wordt omsloten door grasland.

Rivierduinen:
Een verhoging van zand langs een rivier, dat ontstaat door de afzetting van een rivier. Op deze rivierduin ontstaat een eigen struikrijk biotoop, dat sterk afwijkt van de omliggende gronden.

Stelle:
Opgeworpen hoogte of heuvel waar het vee bij opkomend water een goed heenkomen zocht (zie terp); in het midden van een stelle is in de regel een gegraven drinkwaterput.

Struweelhaag
Zie kniphaag met die wijziging: een struweelhaag wordt bij regulier beheer, één keer in de vijf tot vijftien jaar gesnoeid of afgezet.

Terp:
Vluchtheuvel, aangelegd als wijkplaats voor mens en vee in onbedijkt land, ook wel vliedberg genoemd.

Verkaveling:
Algemene term voor een patroon van sloten, greppels en paden, waaruit is op te maken hoe een (deel) van een polder is ontgonnen of aangelegd.

Verkeer en vervoer

Brug:
Beweegbare of vaste verbinding voor het verkeer tussen twee punten die door een water of door een droge aardverdieping gescheiden zijn.

Galgenweg:
Doorgaans doodlopende weg met aan het eind een galgenveld waar in het verleden mensen werden terechtgesteld.

Haven:
Tot ligplaats voor schepen geschikt, natuurlijk of gegraven waterbekken dat beschutting biedt tegen wind en golven.

Jaagpad:
Pad langs een kanaal waar paarden overheen kunnen lopen om zeilschepen voort te trekken (trekpad).

Kanaal:
Kunstmatige, gegraven waterweg.

Kerkepad:
Voetpad waarover in vroegere dagen mensen uit de polder of van de duinkant via een kortere route naar de kerk en het dorp konden lopen.

Koepad:
Pad waarover men vroeger vee liet lopen van de melkplaats naar een weiland of grasland om te grazen.

Ontginningswegen:
Nadat de polders waren ingedijkt, werden er enkele wegen aangelegd waarna vanuit deze structuur de polder verder werd ingericht.

Overtoom:
Dubbel hellend vlak op een dam of een kade tussen twee wateren waar schepen overheen getrokken konden worden met behulp van rollen die onder het schip geplaatst werden of een windas. Een overtoom werd veel gebruikt op plaatsen waar het bouwen van een sluis niet lonend was.

Poorten en hekken:
Doorgang in een omheining of ingang tot een boerderij, begraafplaats of buiten.

Steiger:
Constructie langs een oever, die tot aanlegplaats dient voor vaartuigen.

Trambaan:
Tracé van de vroegere spoorlijn van de Rotterdamsche Tramweg Maatschappij (RTM).

Tramstation:
Wachtlokaliteit voor trampassagiers.

Veerhuis:
Het gebouw behorende bij het veer, waar de schipper woonde en werkte.

Industrieel erfgoed

Bietenlosplaats:
Plaats waar suikerbieten e.d. tijdelijk op hopen worden gestort, gelegen nabij een weg of water (zie ook: peekade).

Brongas: Ronde put met een doorsnede van ca. 2 meter waarin brongas – een vorm van methaangas – naar boven welt.

Cichoreidrogerij:
Gebouw of meerdere gebouwen waarin cichoreiwortels worden gewassen en gedroogd door ze op droogzolders uit te spreiden en met behulp van een warmtebron te drogen.

Droogschuur:
Zwart geteerde, houten schuur met in de zijwanden kleppen die kunnen worden opengezet om het in de schuur opgeslagen uienzaad te drogen.

Griendkeet:
Gebouwtje waarin de griendwerkers konden overnachten en schuilen. Het gebouwtje staat op een verhoging  (griendheuvel), zodat het bij hoog water droog bleef.

Peekade:
Havenkade waar suikerbieten e.d. kunnen worden gestort wachtende op verscheping.

Poterloods:
Loods met wanden van draadglas en doorgaans met een skelet van betonpalen, die wordt gebruikt voor de opslag van pootaardappelen.

Kooikerwoning:
Woning en werkplaats van de kooiker, die de eendenkooi beheert. De kooikerwonining staat nabij de eendenkooi.

Korenmolen:
Stenen windmolen voor het malen van graan.

Molenbiotoop:
Vrije ruimte rond een molen die nodig is zodat de molen voldoende wind kan vangen om goed te kunnen draaien.

Uien- of sjalottenren:
Langwerpig bouwwerkje met een dak en open wanden, veelal voorzien van kippengaas, voor het drogen van uien en sjalotten.

Vuurtoren:
Toren met een sterke lichtbron die zeelieden tot baken dient.

Watertoren:
Toren waarin men het gezuiverde water t.b.v. een drinkwaterleiding oppompt, opdat het, door krachtige druk, tot in de bovenverdiepingen van de huizen kan komen.

Weegbrug:
In het wegdek aangebracht plateau waarop wagens met hun vracht gewogen kunnen worden; in een gebouwtje ernaast staan de weeginstrumenten en zit de weger.

Zalmkeet:
Gebouw behorende bij de zalmvisserij, waar netten werden geknoopt, zalmen werden verwerkt en werknemers overnachtten.

Militaire objecten
Bunker:
Van beton zwaar versterkte verdedigingsstelling of schuilplaats voor militaire doeleinden.

Fort:
Gesloten, naar alle zijden verdedigbaar, duurzaam vestingwerk, met uitsluitend militaire bezetting.

Gracht:
Gegraven watergang ter verdediging van een bepaald object of gebied.

Schans:
In het veld opgeworpen versterkingswerk, meestal in een gedaante van een gebastioneerde vier-, vijf- of zeshoek.

Redoute:
Kleine veldschans, gesloten veldwerk zonder inspringende hoeken;

Bebouwing

Boerderij:
Boerenwoning met afzonderlijke bijgebouwen en bijbehorend land, doorgaans een complex van opstallen.

Buurtschap:
Enige bij elkaar staande woningen.

Knechtswoning:
Kleine woning gelegen in de directe nabijheid van een boerderij waar voorheen een knecht woonde die o.m. was belast met het verzorgen van de dieren op de boerderij.

Lintbebouwing:
Vrijwel aaneengesloten bebouwing langs een weg of dijk, terwijl de achtergelegen gronden openblijven.

Pakhuis of schuur: hier worden bedoeld: losstaande gebouwen, geen onderdeel uitmakende van een boerderij, die dienen als bergplaats van goederen.

Religieus erfgoed:
Objecten of gebouwen die een religieuze functie hebben, zoals kerken, kapellen, kloosters e.d.

Plaatsen van historisch belang (archeologie)

Archeologische vindplaats:
Plek waar in de grond mogelijk archeologische sporen van vroegere bewoning te vinden zijn.

Begraafplaats:
Plaats waar mensen zijn begraven of nog worden begraven.

Galgenveld:
Plaats waar voorheen mensen werden terechtgesteld en mogelijk ook begraven.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s