De begraafplaats aan de Kerkstraat

In de Kerkstraat bezat de gemeente een dorpsboomgaard met vruchtbomen die jaar op jaar verpacht werd. De pachtsommen kwamen in de gemeentekas.

De boomgaard werd voor 12 gulden per jaar gepacht door ene Uitterlinden. Burgemeester Elshoff verrekende de pachtprijs met werk dat ten behoeve van de gemeente was verricht. Maar de erven Uitterlinden, die de pacht overnamen, betaalden sinds 1831, het jaar dat burgemeester J.H. Heereman burgemeester werd, de pachtsom niet meer. Heereman zag geen kans het pachtgeld te verrekenen door geld in te houden dat de familie Uitterlinden van de gemeente te goed had. Hij maande de familie keer op keer, maar tevergeefs.

Er bestond geen huurcontract. De pacht was dus mondeling afgesproken. Hij kon daarom geen rechtszaak aanspannen om op die manier het geld binnen te krijgen. Hij klaagde erover tegen de gouverneur en vond dat hij de wanbetalers best voor de vierschaar kon laten verschijnen.

In een brief uit september 1838 van burgemeester Heereman blijkt dat er toch op een of andere manier voor de jaren 1831 tot 1833 betaald is, want hij schreef aan de metselaar Pieter Uitterlinden dat hij voor de jaren 1834 tot en met 1838 een bedrag van zestig gulden moest betalen. Hij dreigde hem meteen maar met een rechtszitting als de betaling uitbleef. De gouverneur zal hem hierin gesteund hebben.

266 S deel, 27 september 1839
De zoogenaamde dorpsboomgaard, thans door U in eigendom bezeten wordende, met eene erfpacht ten behoeve der gemeente ’s Gravendeel groot f 12:00 sjaars belast zijnde, zoo heb ik de eer U te verzoeken voor de voldoening dier erfpacht over 1834, 1835, 1836, 1837 en 1838 tezamen ter zomme van f 60:00 en uitterlijk binnen veertien dagen na dato dezes ten kantore der gemeente­ontvanger te willen zorgdragen, dewijl ik anders, hoe ongaarne ook, mij in de onaangename verpligting gebragt zal zien U tot voldoening daarvan door middelen van regte te noodzaken.

Uitterlinden had niet zoveel geld en vroeg toestemming om voor twee jaar ineens te mogen betalen en de andere drie jaren in termijnen. Dat werd geaccepteerd.

In 1856 kwam er een wet op het begraven. Vanaf het jaar 1857 was het verboden nog doden te begraven rondom de kerk. De gemeente moest daarom een plaats voor een nieuwe begraafplaats aanwijzen.

Omdat de gemeente niet veel eigen grond had, en de pachter van de dorpsboomgaard toch vaak nalatig was, werd besloten vanaf 1857 van de dorpsboomgaard een gemeentelijke begraafplaats te maken.

Volgens de brieven die de burgemeester schreef, bleek dat dit terrein, of wellicht een gedeelte ervan, moest worden aangekocht van Cornelis Moret. Hoe dat nu rijmt met het vorige is onduidelijk.

136 ’s Gravendeel, 27 febr 1856
Aan de commissaris des Konings
Ingesloten hebben wij de eer UEdelgrootachtbare ter goedkeuring te doen toekomen een raadsbesluit dezerzijds genomen om van Cornelis Tz Moret aan te kopen:
een stuk grond ter grootte van 24 roe, 30 ellen ten einde het­zelve tot begraafplaats te kunnen inrichten, waaraan eene dringende behoefte bestaat.
Aangenaam zoude het ons zijn indien UEGA mogt kunnen besluiten dat raadsbesluit enigzints spoedig met uwe goedkeuring te be­krachtigen en het in het belang der zaak wenschelijk is dat de beslissing niet wordt vertraagd.

De aankoop van de grond stelde het bestuur voor financiële problemen, ten minste, de burgemeester schreef op 5 juli 1856 aan de commissaris van de koning dat een rekening van f 171,53 die betaald moest worden wegens verpleging van bedelaars in Ommeloord, niet kon worden voldaan vanwege de grote financiële verplichting die de gemeente aan was gegaan door de aankoop van het stuk grond dat tot begraafplaats diende.
Uitstel van betaling van dat geld werd verzocht tot augustus.

De gemeenteraad dacht na over het aanbrengen van een toegangshek. Na enige informatie bleek dat de gemeente dat bedrag dat daarvoor nodig was, niet kon opbrengen. Een van de raadsleden had echter een advertentie gelezen in de Haarlemsche Courant, waarin een ijzeren hek werd aangeboden. Zou dit hek geschikt zijn voor de begraafplaats? Burgemeester Heereman schreef aan de heren J.F. Volgraff & V in ‘s-Gravenhage de volgende brief:

123 Sgravendeel, 9 febr 1857
Mijne Heeren!
In de Haarlemsche Courant van den 3 dezer werd door UEd ter verkoop aangeboden een ijzer hek, hetwelk wij indien de hoogte van hetzelve voldoende is, wel zouden kunnen gebruiken. Dan alvorens daaromtrent eene beslissing te kunnen nemen, zouden wij van UEd gaarne eenige inlichtingen verlangen, te weten omtrent de hoogte, of het boven regt is of boogwijze, of hetzelve aan hardsteenspalen moet hangen en of die palen er bij zijn, enfin alle zodanige opgaven welke UEd kunt denken dat dienstig kunnen zijn, om ons te doen beoordeelen of hetzelve geschikt is voor de ingang tot de begraafplaats. Indien UEd ons eene kleine met potlood geschrapte schets van hetzelve zoudt willen overzenden, zoudt gij ons genoegen doen, ook zouden wij gaarne de naaste prijs weten.
Met eene spoedige rescriptie zult UEd ons verpligten.

Volgens informatie uit juli 1869 bevond de begraafplaats zich 35 meter van de bebouwde kom. In die jaren werden er gemiddeld 81 doden per jaar begraven. Per lijk werd 2,3 meter grafruimte gerekend, zoals de wet voorschreef. Daarom zou er genoeg ruimte zijn tot 1880.

In 1873 kreeg de architect H. in ’t Veld opdracht een bestek en tekening te maken voor een lijkenhuisje op de begraafplaats. Dat was nodig, omdat de commissaris van de koning het dringend gewenst achtte dat overledenen aan besmettelijke ziekten geïsoleerd zouden worden van de bevolking.

Begraafplaats Kerkstraat 's-GravendeelDe commissaris had dringend verzocht dat huisje niet op, maar in de dichte nabijheid van de begraafplaats neer te laten zetten, maar bij gebrek aan ruimte en geld, moest het huisje óp de begraafplaats zelf gebouwd worden.

Het gebouwtje werd openbaar aanbesteed en gegund aan de laagste inschrijver L. Nolen voor f 433,-. In maart 1874 werd begonnen met de bouw.

De gemeente hoopte dat dit gebouwtje meteen dienst kon doen als ziekenbarak voor besmettelijke ziekten, maar dat kon niet. In 1875 werd alsnog een “openbare inrigting of locaal tot verpleging van lijders aan besmettelijke ziekte, voorzien met al de middelen die tot eene zoodanige inrigting behoren” ingericht. In 1883 was dat gebouwtje nog maar één keer door een ingezetene gebruikt.

In het gemeentearchief is sprake van de verplichting om aan tyfus gestorven mensen naar het lijkenhuis te brengen. Voor de dertienjarige Teunis Moret werd op 9 september 1878 een uitzondering gemaakt. Hij overleed op zondag en werd de dag daarop al begraven en mocht in zijn ouderlijk huis blijven tot de begrafenis, waarschijnlijk omdat zijn huis niet in de bebouwde kom lag.

In 1880 werd ook een uitzondering gemaakt voor Schilleman de Vos, oud zes jaar, wonende aan de Strijensedijk wijk C nr 136, dus ook buiten het dorp.

Verschillende keren moest de begraafplaats uitgebreid worden. In 1880 en daarna in 1904.
Tot dat doel moesten er geldleningen worden aangegaan.

De gemeente wilde een hoekje van de uitbreiding bestemmen voor het begraven van de joodse overledenen uit ‘s-Gravendeel. Dan waren ze meteen af van het steeds betalen voor begrafenissen op de joodse begraafplaats in Oud-Beijerland en bovendien hoefden ze geen geld beschikbaar te stellen voor de aankoop van een terrein in Strijen waar een joodse begraafplaats was gepland. De joodse ‘kille’ van ‘s-Gravendeel had namelijk gevraagd om een bijdrage uit de gemeentekas om de schuld die daarvoor was aangegaan te bestrijden.

De ‘s-Gravendeelse gemeente weigerde in 1904 die bijdrage, want, vond zij, de joden kregen immers een eigen hoekje van het toekomstige plaatselijke begrafenisterrein.

Er kwamen natuurlijk bezwaren tegen de uitbreiding. Buurman Reedijk zag zijn bedrijf bedreigd en tevens de gezondheid van zijn gezin. Maar de gemeente zag de problemen niet, getuige de brief van burgemeester Roodenburg Vermaat aan Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland:

“Van het benadeelen der gezondheid van de adressant (Reedijk) en zijn gezin cs kan naar onze bescheiden mening geen sprake zijn. Het perceel in questie ligt landwaarts in, dus meer verwijderd van de bebouwde kom der gemeente, derhalve ook verder van de woning van adressant af, zooals ook terecht in het advies van de gezondheidscommissie van Oud-Beijerland ca wordt opgemerkt.

Adressant heeft reeds jaren achtereen naast de begraafplaats gewoond en noch van hem noch van zijn buren zijn ooit klachten inkomen over het schaden van de gezondheid.

De in de nabijheid van de begraafplaats wonende menschen kunnen niet één geval opnoemen, waarin in verband met ziekte die nabijheid als oorzaak kan worden beschouwd.

Dat er de aan de andere zijde van de begraafplaats nog terrein ligt, is juist, doch ook dat terrein ligt in de kom der gemeente.
Had uw adressant, wetende dat uitbreiding op de wijze als nu wordt voorgesteld, aan de orde komen zou, zich gewend tot ons college, dan zou hij hebben vernomen, dat grafwering in deze, met het oog op de hygiëne, wellicht niet werken zou. Vermoedelijk zou hij dan geen oppositie hebben gevoerd.

Het bedoeld perceel aan te kopen is beslist in het voordeel der gemeente, aangezien kan worden volstaan met een oppervlakte van plusminus 800 m en dit bovendien onmiddellijk aansluit aan de 3e klasse der begraafplaats, welke klasse juist uitbreiding behoeft.

Het is dan ook om bovenstaande redenen dat de raad heeft besloten, behoudens goedkeuring van uw college, bedoeld perceeltje(F nr 874) van de heer J. Lagestee aan te kopen als zijnde dit zeer in het belang der gemeente.”

Het perceel is aangekocht en de begraafplaats uitgebreid.

Een hoekje voor de joden kwam er niet, omdat de joden bij hun standpunt bleven dat ze liever samen met de kille van Strijen een begraafplaats op de Oud Bonaventurasedijk hadden.

Joodse begraafplaats StrijenNiet alleen overledenen aan besmettelijke ziekten werden naar het lijkenhuisje gebracht, ook verdronkenen:

‘s-Gravendeel, 10 Mei 1910
Zaterdagmorgen ongeveer 5 uur, werd door Joost van Valen, polderbode van Wieldrecht nabij het ‘s-Gravendeelsche veer aan Wieldrechtsch zijde, den zoogenaamde Wieldrechtsche Zeedijk het half in het water liggende, in verre staat van ontbinding verkeerende lijk gevonden van een manspersoon. nadat de burgemeester van Dubbeldam, onder wiens ressort dit gebied ligt, met het geval in kennis gesteld was, werd het lijk onder toezicht van den veldwachter naar de algemeene begraafplaats overgebracht. Bij nader onderzoek moest zijn gebleken dat het vermoedelijk het lijk was van de sedert februari vermiste 23-jarige Dirk Everwennick, Voorstraat 54, Dordrecht.

Tot 1928 is er bij de begrafenissen op de begraafplaats steeds gecollecteerd. De opbrengst werd een maal per jaar verdeeld onder de drie kerkelijke gemeenten: Hervormde, Gereformeerde en Christelijke Gereformeerde gemeenten, die dit geld besteedden aan de armen van hun gemeenten. In 1928 is dat afgeschaft.

Doodgraver L. van der Wulp wordt een gratificatie van f 200,- toegekend voor het onderhouden van de gedenkteekenen op de algemeene begraafplaats. Per 1 Januari 1929 wordt zijn wedde met f 200,- verhoogd voor dezelfde zaak.

In december 1940 werd een comité opgericht door enige notabelen van ‘s-Gravendeel namelijk de heren C.E.A.J. Gerrits, G. Sissingh, A. de Haas, C. van Putten en W.H. Verhoeff met het doel te komen tot plaatsing van een grafmonument voor vier omgekomen ‘s-Gravendeelse mannen bij het bombardement van de suikerfabriek op 25 oktober 1940. Tevens zou het monument dienen voor de omgekomen militairen uit de meidagen van 1940, die al begraven waren.

Begraafplaats Kerkstraat 's-Gravendeel (2)Op donderdagmiddag 13 maart 1941 vond de onthulling van dit oorlogsmonument plaats. De voorzitter van het comité, dokter A. de Haas, droeg het monument over aan de gemeente.

Op 11 mei 1945 werd ook Jaap van Breda, die net na de bevrijding nog door de Duitsers was doodgeschoten, bijgezet.

In het jaar 1946 werd er in ons land een stichting in het leven geroepen om de graven van de Nederlandse oorlogsslachtoffers in te richten en te onderhouden, de OGS (Oorlogsgravenstichting). De OGS oefent toezicht uit op de graven, ook die van ‘s-Gravendeel. De stichting wordt bijgestaan door consuls, die de toestand van de graven controleren. Van 1983 tot 2006 was de heer Henk van der Linden, die werkzaam was bij de gemeente ‘s-Gravendeel, tot consul aangesteld om de graven te bewaken en over de onderhoudstoestand regelmatig te rapporteren. Hij kreeg daarvoor op 12 september 2007 het Gouden Ereteken.
Met ingang van 1 januari 2007 is de heer A. van Sluijs, medewerker civiel en cultuurtechniek bij de gemeente Binnenmaas, benoemd tot consul van de OGS.

In 1946 moest de begraafplaats weer worden vergroot. Er werden plannen gemaakt om grond aan te kopen voor de uitbreiding, maar ook voor de bouw van een aula op die locatie. Dat is niet gelukt. Daarom is de gemeente op zoek gegaan naar een andere plaats. Al spoedig kwam men uit op de Smidsweg, waar het nieuwe gemeente-uitbreidingsplan was gepland.

Op 1 juli 1950 werd de nieuwe begraafplaats aan de Maasdamseweg in gebruik genomen. Alleen overledenen met een familiegraf werden voortaan nog in de Kerkstraat begraven. Een uitzondering werd gemaakt voor de slachtoffers van de watersnood. Voor hen werd ruimte gemaakt.

Bron: Historische Vereniging ‘s-Gravendeel

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s